Pop naar het buitenland

Exportbeleid voor 2017-2020

Popcoalitie, december 2015

 

Inleiding

Deze notitie is een eerste aanzet richting internationaal promotiebeleid ten aanzien van de

Nederlandse popmuziek vanaf 2017. De notitie is een initiatief van de Popcoalitie. De

Popcoalitie is een samenwerkingsverband van een groot aantal organisaties uit de pop - en

dancemuzieksector, waaronder 3FM/NPO, Buma Cultuur (namens deze ook ADE en ESNS),

Buma/Stemra, FNV -KIEM/BV Pop, MMFnl, Ntb, NVPI, Open House, POPnl, Sena

Uitvoerende Kunstenaars, STOMP, VNPF, VVEM en de muziekvakopleidingen. Via de

Popcoalitie spreekt de Nederlandse popmuzieksector met één stem over relevante thema’s

voor, over, dan wel met betrekking tot de eigen sector en treedt zij waar nodig in overleg met

overheden en/of andere maatschappelijke partijen.

Internationalisering van de Nederlandse popmuzieksector is zo’n thema dat direct of indirect

alle geledingen van onze sector raakt. In toenemende mate is het buitenland van belang als

afzetmarkt, bron van inkomsten, maar ook van inspiratie en uitwisseling. Struikelblok blijft

vooralsnog het gebrek aan internationale investeringsmogelijkheden voor Nederlandse acts.

Hier ligt voor de sector, naast diverse andere, veelal binnenlandse issues, die los van deze

notitie separaat geagendeerd zullen worden, dan ook één van de grootste uitdagingen voor

de komende jaren: het - zo mogelijk publiek-privaat - realiseren van een investerings- c.q.

marketingregeling ter ondersteuning van internationaal potentievolle Nederlandse musici,

DJ’s en acts. Daarnaast dient er - ter ondersteuning van genoemde investeringsregeling –

tevens een zgn. flankerend collectief promotiebeleid, alsmede een aantal gerichte

promotiecampagnes op de ons direct omringende landen te worden opgezet. Zo’n

samenhangend pakket is volgens de Popcoalitie het exportbeleid waar de Nederlandse

popmuzieksector, inclusief de dance, in de komende jaren het meest bij gediend zou zijn.

Nadrukkelijk stelt de Popcoalitie dat het hier gepresenteerde plan zowel voor de

popmuzieksector, als ook voor de Nederlandse dancescene bedoeld is. Beiden hebben in

principe dan ook toegang tot alle genoemde elementen van het plan. Het totale jaarbudget

dat hiermee gemoeid is, bedraagt 1,15 miljoen euro. De Popcoalitie verzoekt de Nederlandse

overheid met ingang van 2017 daarvan 650.000 euro op jaarbasis voor haar rekening te

nemen. De overige 500.000 euro zal in dat geval worden aangevuld door Popcoalitie-lid

Buma Cultuur.

 

De Nederlandse popmuziek in het buitenland

De Nederlandse popmuziek is in de loop der jaren bij vlagen internationaal succesvol

geweest. Begin jaren zestig was dat voor het eerst met Willy Alberti, The Blue Diamonds en

The Tielman Brothers. De snel groeiende Nederlandse muziekindustrie deed begin jaren

zeventig internationaal volop van zich spreken met Shocking Blue, de George Baker

Selection,Tee-Set, Mouth & MacNeal en The Cats, later gevolgd door de Golden Earring,

Earth & Fire, Supersister, Focus, Kayak, Diesel, Herman Brood, Stars On 45, Bolland &

Bolland en Vandenberg. De economische crisis in de jaren tachtig had zijn weerslag op de

Nederlandse muzieksector: veel contacten, die voor het onderhouden van succesvolle

zakelijke netwerken essentieel zijn, gingen verloren. Begin jaren negentig lukte het met Ten

Sharp, Nits, Urban Dance Squad en Candy Dulfer weer de weg naar de internationale podia

te vinden. Sindsdien is de Nederlandse popsector er met een tamelijk solide regelmaat in

geslaagd internationale successen te boeken. Niet zozeer op de allergrootste podia en de

hitparades, maar juist in nichemarkten als alternative rock en gothic met o.a. Bettie Serveert,

The Ex, Within Temptation, Caro Emerald, Jacco Gardner en The Common Linnets.

Instrumenteel hierin waren Eurosonic Noorderslag in Groningen als internationale conventie

en de diverse promotionele activiteiten opgezet vanuit het Nationaal Pop Instituut (later

Muziekcentrum Nederland) en Buma Cultuur.

De opkomst van de elektronische dansmuziek eind jaren tachtig bood niet eerder

voorgekomen kansen voor de Europese muzieksector in de van oudsher door de

Angelsaksische landen gedomineerde popmuziek. In Nederland leidde dit in eerste instantie

tot een subcultuur met daarin een eigen, typisch Hollands genre (gabber) en een

commerciële variant, de eurohouse (o.a. 2 Unlimited, The Vengaboys). Het bleken voorboden

van een nieuwe, parallelle muziekindustrie, waarin Nederland toonaangevend werd op het

gebied van evenementen (ID&T, Extrema, Q-Dance), danceproducties (o.a. Junkie XL) en

DJ’s (Ferry Corsten, Tiësto, Armin van Buuren, Afrojack, Hardwell, Martin Garrix). Maar het is

inmiddels niet meer alleen de zgn. EDM (Electronic Dance Music, de commercieel zeer

succesvolle stijl waarin bovengenoemde DJ’s actief zijn) die het internationaal goed doet.

Ook artiesten uit andere dance stijlen, als Tom Trago, Joris Voorn, Ganz, Noisia, Secret

Cinema, Boris Werner, maar ook producers zoals Spanker (geproduceerd voor M.I.A.) en

Boaz van de Beatz (geproduceerd voor Major Lazer/Diplo en David Guetta) timmeren

inmiddels nadrukkelijk aan de weg. Belangrijk hierin is het door Buma Cultuur geïnitieerde

Amsterdam Dance Event, dat is uitgegroeid tot internationaal de belangrijkste conventie op

het gebied van dancemuziek.

 

Kansen voor de toekomst

Bij elkaar opgeteld is de huidige positie van de Nederlandse popmuziek in het internationale

veld inmiddels relatief goed. Met regelmaat breken jonge DJ’s nationaal en vervolgens vaak

ook internationaal door. Het grote succes van de Nederlandse dance, met als gevolg een

snelle toename binnen de Nederlandse muziekindustrie van internationaal gelouterde

muziekprofessionals, heeft bovendien geleid - o.a. door kruisbestuiving, uitwisseling,

samenwerking en steeds vaker ook gedeeltelijke samenvloeiing van werkterreinen - tot een

inhaalslag in professionalisering in andere genres, zoals bijvoorbeeld de pop/rock. Illustratief

is het uitverkopen van de Ziggo Dome door rockbands als Racoon en Kensington en de

Heineken Music Hall door de recent doorgebroken Jett Rebel en Chef’Special. De

internationale belangstelling voor Nederlands talent is momenteel dan ook groeiende. Steeds

meer artiesten staan onder contract bij toonaangevende internationale agenten,

managementkantoren en labels. Te vaak stokt daar echter het proces. Genoemd

internationaal label, agent of management wil op een gegeven moment graag gaan

investeren in de desbetreffende groep, maar verwacht - c.q. eist - dat deze dan wel

substantieel mee investeert, zoals internationaal nu eenmaal gebruikelijk. Gebeurt dit niet,

dan is veelal sprake van een direct en voortijdig staken van alle inspanningen: “Prima. Voor

jou tien andere kandidaten!”. Dit is dan ook in het kort geschetst de momenteel nog altijd

belangrijkste internationale barriere voor Nederlands talent op het internationale speelveld.

Een vroeger ook vaak opspelende internationale barriere voor de Nederlandse popmuziek

was de taal - popmuziek is nu eenmaal bij uitstek een Engelstalig fenomeen waarbij ‘native

speaking’ landen als de US en UK, en in mindere mate ook Australie en Canada, lange tijd in

het voordeel bleken - is door voortschrijdende professionalisering en opleidingsniveau

inmiddels grotendeels van de baan. Het vroeger ook vaak gehoorde argument dat het

naoorlogse Nederland bij de opkomst van de popmuziek, eind jaren vijftig begin jaren zestig

van de vorige eeuw, veel te lang ‘heeft zitten slapen’, waardoor de ‘taart wereldwijd al

grotendeels verdeeld was’ alvorens de Nederlandse popmuzieksector ook maar enigszins op

concurrerend niveau kon komen, is na ruim vijftig jaar popmuziekgeschiedenis inmiddels ook

wel achterhaald (popmuziek bereikte Nederland in de jaren zestig pas via een grote omweg:

de eerste Nederlandse rockers waren afkomstig uit de voormalige kolonie Indonesie, waar

men - eerder dus dan in Nederland zelf - via lokale Amerikaanse legerbases in aanmerking

kwam met het nieuwe fenomeen Rock’n Roll). Ook hier hebben professionalisering en

opleidingsniveau inmiddels wel gezorgd voor de broodnodige internationale inhaalslag.

Blijvend struikelblok in de popmuziek is echter dus nog wel altijd het gebrek aan

internationale investeringsmogelijkheden voor Nederlandse acts. In de Dance heeft dit

argument altijd veel minder gespeeld. Investeringen zijn daar vergeleken met de popmuziek

relatief laag, DJ’s reizen vaak alleen, in plaats van in grote gezelschappen en hebben

daarnaast ook nauwelijks kostbare apparatuur te verslepen en verschepen (popgroepen

daarentegen vaak vrachtwagens vol). Tenslotte vergt de Dancesector wereldwijd ook vele

malen lagere promotiebudgetten omdat de Dancesector zich vrijwel volledig richt op een ‘live’

sector van goed betalende megafestivals en dus niet zozeer op de - qua benodigde

promotionele investeringen - kostbare mediasector van honderden radiostations en tvprogramma’s,

gezamenlijk nu eenmaal noodzakelijk voor een internationale doorbraak in de

popmuziek.

De Nederlandse Dance-scene kwam daarnaast eind vorige eeuw wereldwijd letterlijk als één

van de eerste tot ontwikkeling (misschien wel juist door een toen nog bescheiden nationale

popmuziekcultuur, althans vergeleken met landen als de US en de UK, waar de sterke

popmuzieksector de ontwikkeling van de dance lange tijd in de weg stond…) en kon dus -

anders dan bij de popmuziek in de jaren zestig - direct al een forse wereldwijde positie

innemen door gebrek aan serieuze internationale concurrentie.

Dat in die beginjaren van de Nederlandse dancecultuur ook direct enkele zeer getalenteerde

‘dance-ondernemers’ (o.a. Duncan Stutterheim van dance-organisatie ID&T) het heft

zelfbewust in handen namen en direct ook op doortastende wijze internationaal actief

werden, heeft nog eens voor een onverwachte extra ‘boost’ voor de Nederlandse dancescene

gezorgd.

De Nederlandse popmuzieksector is daarentegen - ondanks kleine, geleidelijke en

bemoedigende stapjes voorwaarts in de afgelopen decennia - nog altijd te klein en te weinig

kapitaalkrachtig om op eigen kracht te kunnen voldoen aan de internationaal gebruikelijke,

vaak torenhoge, lancerings- en campagnebudgetten die anderen simpelweg wel inzetten.

Vandaar dat Nederland nog altijd geen echte wereldwijde topartiesten in de internationale

‘eredivisie’ van de popmuziek kent. En hier ligt dan ook de grootste uitdaging: het - zo

mogelijk publiek-privaat - realiseren van een investerings- c.q. marketingregeling ter

ondersteuning van daadwerkelijk internationaal potentievolle Nederlandse musici en acts.

Eén van de helaas weinig beschikbare voorbeelden die het bovenstaande wellicht mooi

kunnen aantonen is het voorbeeld van de Nederlandse groep Within Temptation. Toen deze

groep begin deze eeuw qua internationale carriereontwikkeling ook tegen haar

spreekwoordelijke ‘glazen plafond’ aanzat, wist zij als één van de eerste Nederlandse

groepen zowel haar toenmalige (Duitse) platenmaatschappij, als ook de toen nog onder

auspiciën van het Nationaal Pop Instituut en het toenmalige Conamus (nu Buma Cultuur)

uitgevoerde investeringsregeling ‘MusicXport.nl’ (met een budget vanuit Conamus en de

Ministeries van EZ en OCW) te overtuigen van de noodzaak om gezamenlijk eenmalig fors te

investeren in een professionele internationale promotiecampagne. Samen met de groep zelf,

die zich hiervoor bewust flink in de schulden stak, in de hoop e.e.a. later terug te verdienen,

werd door genoemde partijen destijds dan ook gezamenlijk eenmalig een internationaal

concurrerend budget bijeen gebracht, waarna de groep uiteindelijk inderdaad een voor

Nederland gezien ongekende internationale doorbraak wist te bereiken. Inmiddels heeft de

groep wereldwijd meerdere miljoenen albums weten te verkopen en treedt zij nog met grote

regelmaat op in de grotere concertzalen en zelfs stadions in Europa, Azie en Amerika. Het

voorbeeld van Within Temptation is sindsdien, althans op deze schaal, feitelijk nooit meer

herhaald door een Nederlandse groep of artiest.

Het probleem van gebrek aan investeringspotentieel speelt natuurlijk ook in vele andere,

kleine en minder kapitaalkrachtige landen. Landen die hier momenteel het meest succesvol

mee weten om te gaan, zijn met name Zweden (zelfs nog kleiner dan Nederland) en Canada

(weliswaar groter, maar in inwoneraantal vergelijkbaar aan Nederland). In beide landen

worden aan de popsector gelieerde inkomstenstromingen veelal weer ge(her)investeerd in de

eigen popsector. In Zweden geldt al decennia dat de inkomsten van internationaal

succesvolle artiesten deels weer terugvloeien in de investeringsbudgetten van de Zweeds

muziekindustrie - het bekendste voorbeeld hiervan is natuurlijk ABBA, dat tot vandaag de dag

nog altijd goed is voor een continue inkomstenstroom - vanuit heel de wereld terug naar

Zweden - van vele vele miljoenen per jaar. Een deel daarvan komt indirect weer ten goede

aan nieuwe generaties Zweeds talent. In Canada is het zelfs wettelijk zo geregeld dat de

reguliere inkomsten uit de veiling van radio-etherfrequenties middels een investeringsfonds

grotendeels ten goede dienen te komen aan de eigen Canadese muziekscene. Op deze wijze

zijn in de afgelopen decennia al vele tientallen miljoenen geinvesteerd in de internationale

carrieres van Canadese artiesten als Arcade Fire, Alanis Morisette, Avril Lavigne, Brian

Adams, Celine Dion, Nickelback, e.a.

De rol van de overheid bij de export van Nederlandse popmuziek

Sinds begin jaren negentig heeft de Nederlandse overheid de export van Nederlandse

popmuziek actief ondersteund met financiële bijdragen aan ondersteuningsprogramma’s

vanuit het Nationaal Pop Instituut en Buma Cultuur, en rechtstreeks aan muzikanten via het

Fonds Podiumkunsten. Dit heeft erin geresulteerd dat een redelijk gestage stroom van

Nederlandse bands en artiesten internationaal succes heeft kunnen boeken.

Bij de recente bezuinigingen op het cultuurbeleid heeft de Nederlandse overheid zich hieruit

grotendeels teruggetrokken. Ondanks die afnemende financiële ondersteuning heeft Buma

Cultuur met de Dutch Impact campagnes ook in 2014 (de evaluatie van 2015 is nog niet

voltooid) toch een aantal aansprekende resultaten kunnen boeken. Showcases onder deze

noemer resulteerden in deals met internationale boekers en agenten, labels en distributeurs

voor onder andere Birth of Joy, Tom Trago, Mozes & the First Born, Taymir, John Coffey,

Kuenta I Tambu, Mr. & Mississippi, Traumahelikopter, Jungle by Night en Dope D.O.D..

Weliswaar is de huidige positie van de Nederlandse popmuziek in het internationale veld

redelijk goed, de muziekwereld is echter zeer competitief. Andere landen doen, veelal met

overheidssteun, veel aan het promoten van hun muzieksector. Dit zijn niet alleen de landen

uit Europa, Noord-Amerika en Australië, maar ook die uit Azië, Latijns Amerika en zelfs

Afrika. Nederland, ooit pionier in de buitenlandpromotie van haar muzieksector, is op dit

gebied dan ook door vele andere landen allang voorbijgestreefd. De Popcoalitie pleit ervoor

de ondersteuning van de export daarom een nieuwe impuls te geven, dit om mogelijk verder

terreinverlies voor te zijn.

 

Lessen uit het verleden

Voor het creëren van duurzaam internationaal succes moet worden voldaan aan een aantal

voorwaarden. Er moet sprake zijn van samenhangende systemen op verschillende niveaus.

Netwerken op het gebied van management, labels en distributie, agency’s, festivals,

promotie, publishing en exploitatie zijn essentieel. Een les uit het verleden is dat het de

voorkeur heeft om bestaande activiteiten en netwerken te faciliteren en niet te initiëren. Waar

voorheen vaak van alles werd georganiseerd, opgetuigd en gemaakt voor de sector (denk

aan verzamel cd’s, drukwerk, flyers, etc.) moeten we ons er nu vooral op richten de artiesten

het voortouw te laten nemen, en dat vooral te faciliteren. We moeten inzetten zowel op het

versterken van bestaande, inhoudelijke relaties, en daarnaast moeten we proberen deze

relaties verder uit te bouwen. Dit is ook van belang om kennis op te doen, kennis te delen en

aansluiting te houden bij internationale ontwikkelingen. Bouwen aan het netwerk is één van

de prioriteiten van de komende jaren. Het opdoen en onderhouden van partners binnen dat

netwerk in het buitenland gaat bijdragen aan het verder brengen van de Nederlandse

popmuziek. Daarbij is profilering noodzakelijk om én op te vallen én focus te hebben.

Het succes van de dance heeft aangetoond dat het verstandig is om te focussen op

domeinen (landen, steden) en (sub)genres (stijlen) om gerichter en intensiever te kunnen

opereren. Daarbij moeten we tegelijkertijd niet de ogen sluiten voor fenomenen die op geen

enkele manier aan gestelde beleidscriteria voldoen, maar desondanks toch internationaal

weten door te breken. Voorbeelden hiervan zijn inmiddels internationaal succesvolle acts als

Caro Emerald en Common Linnets.

 

Niet ‘push’ maar ‘pull’

De ervaring heeft geleerd dat een artiest niet ‘zomaar’ naar het buitenland kan. Het

buitenland moet er open voor staan. De promotie moet gaan volgens een ‘pull’ in plaats van

een ‘push’ model. In het verleden werden acts die het in Nederland goed deden in een

willekeurige markt gepusht, in de hoop dat ze werden opgepikt. Veel effectiever blijkt een

“pull” model, waarin we de genre/niche-specifieke actoren in een buitenlandse markt

faciliteren als zij bereid zijn een artiest een territorium in te “trekken”. In zo’n beleid draait het

om heldere keuzes en duidelijke criteria.

 

Heldere keuzes

Selectie van de te ondersteunen acts vindt plaats op zowel cultureel- als economisch

perspectief. Keuzes worden gemaakt op basis van kwaliteit én onderscheidend vermogen in

het land of gebied waar de artiest heen wil. Het idee is om in het totale palet een goede

balans te vinden tussen beide kwaliteiten.

Een punt van aandacht is de vraag of er voor bepaalde markten een connectie te maken is

met het internationaal cultuurbeleid (ICB) van de rijksoverheid. De hoge omloopsnelheid in de

popmuziek maakt dit niet eenvoudig maar niet onmogelijk.

 

Duidelijke criteria

Belangrijk is dat een artiest of band klaar is voor de stap naar het buitenland. Er moet sprake

zijn van een reëel en marktconform plan. Aanvragen worden door een - door de Popcoalitie

samengestelde - onafhankelijke en deskundige adviescommissie beoordeeld aan de hand

van de volgende criteria:

Potentie

• Onderscheidend vermogen, eigenheid: we hebben er niks aan de Nederlandse versie

van een populaire buitenlandse band naar dat land in kwestie te sturen

• Cultureel, danwel economisch perspectief. Liefst allebei.

• Een goed lopende beroepspraktijk, vertrouwen in (artistieke) kwaliteit:

o een act die al een tijd bestaat en bewezen staat van dienst heeft

o ook een nieuwe act van ervaren mensen met aanwijsbaar potentieel is

geschikt

o een nieuwe act of artiest die wordt omringd door een ervaren team

 

Bewezen vraag

Er moet een bewezen vraag zijn naar de artiest. Bijvoorbeeld in de vorm van:

• een uitnodiging door een zaal of festival

• een uitnodiging door andere artiesten voor deelname aan tournee

• aandacht in de media (digitaal/analoog)

 

Functioneel netwerk

Rondom een artiest moet in het land waar naar toe wordt gereisd een functioneel netwerk

zijn, dat ten minste bestaat uit één, maar bij voorkeur meerdere van de volgende actoren:

een boeker

een label/distributeur

een PR-/mediapartner

een muziekuitgever

een medium (magazine/blog/opinion maker) dat zich als pleitbezorger opwerpt

Productionele beschikbaarheid

Praktisch gezien moet een artiest/band/DJ klaar zijn om te toeren. De productie moet

internationaal op niveau zijn en de voorfinanciering moet op orde zijn.

 

Praktische invulling

Doelgroep en doelstelling:

Nederlandse artiesten, musici, DJ’s en acts uit alle dance-, pop- en rock-genres (zowel

mainstream als niche) met historisch bewezen internationale potentie. Genoemde kandidaten

zijn op basis van boven beschreven ‘screening’ door een onafhankelijke deskundige

commissie, samengesteld onder goedkeuring van de Popcoalitie, vooraf geschikt bevonden

voor ondersteuning bij hun internationale ambities. Genoemde kandidaten kunnen zowel

‘internationaal beginnend’ als ook verder gevorderd zijn. Doelstelling is evenwel groepen op

het juiste moment (op basis van bereikte resultaten, status, eigen kracht en deskundigheid)

zelfstandig hun eigen verdere internationale carriere ter hand te kunnen laten nemen. Vanaf

dat moment is verdere ondersteuning - behoudens wellicht de zgn.‘Top acts regeling’ - niet

langer meer aan de orde.

Meer concreet zou de uiteindelijke doelstelling van dit plan moeten zijn dat de Nederlandse

popmuzieksector over vijf jaar (gemeten vanaf begin 2017) aantoonbaar en meetbaar haar

internationale positie in de wereldwijde muzieksector structureel heeft weten te versterken,

middels een brede laag van duurzaam internationaal actieve en succesvolle artiesten, acts,

groepen en DJ’s in een keur aan kwalitatief hoogstaande dance-, pop- en rock-genres op

zowel mainstream- als niche-terrein.

Onderzocht wordt momenteel nog de (praktische) haalbaarheid van het uiteindelijk

ombouwen van het beoogde investeringsfonds naar een uiteindelijk zgn. ‘revolving fund’,

waarbij een artiest die - mede dankzij de investering vanuit het beoogde Fonds - uiteindelijk

inderdaad een internationale doorbraak weet te bewerkstelligen na het bereiken van een

vooraf vast te stellen internationale omzet de eerder verkregen investering, wellicht zelfs

aangevuld met een extra percentage, terugstort naar het investeringsfonds. In theorie zou op

deze wijze - bij uiteindelijk voldoende bereikt resultaat - een Fonds denkbaar kunnen zijn dat

zichzelf voortaan financieel in stand weet te houden. Vooralsnog roept een dergelijke

constructie echter nog veel juridische als ook praktische vragen op.

In overleg en afstemming met betrokken stakeholders en financiers zal de Popcoalitie zich

ten aanzien van boven omschreven doelstelling in een nadere uitwerking van dit plan

uiteindelijk dan ook committeren aan meer concrete streefcijfers ten aanzien van het te

behalen resultaat aan het einde van de beoogde planperiode.

 

Programma-onderdelen:

1 Gerichte ondersteuning

Acts, DJ’s of artiesten die zich aanmelden voor bovengenoemde ‘buitenland-APK’ worden -

na een voldoende beoordeling op genoemde criteria - uitgenodigd een daadwerkelijke

aanvraag in te dienen. Aanvragen, gekoppeld aan een termijn van (bijvoorbeeld) een jaar,

moeten leiden tot een werkbudget (tot een bepaald vooraf vastgesteld maximum) bedoeld

voor reële investeringen, benodigd voor een internationale ambitie voor de act of artiest en

zijn management c.q. begeleiding. Voor de beoordeling wordt door de Popcoalitie een

commissie aangesteld, bestaande uit onafhankelijke ervaringsdeskundigen.

Voorwaarde moet zijn dat dit dan een zgn. ‘matching’ budget is: De act of artiest moet zelf

een vergelijkbaar budget investeren, dan wel beschikken over (markt)partijen die dit in

hem/haar willen investeren.

Aanvragen kunnen zo nodig worden herhaald, een doorbraak kan tenslotte langer dan een

jaar behelzen, zolang een act of artiest echter maar aan kan tonen een internationaal

stijgende lijn te volgen. Participerende acts en artiesten, in de praktijk veelal hun

management c.q. begeleiding, dienen te participeren in zgn. intervisiesessies waarbij

onderling kennis en ervaring wordt uitgewisseld en partijen elkaar onderling adviseren en

steunen.

Achteraf vindt een uitgebreide ‘monitoring’ plaats van behaalde resultaten versus

geïnvesteerde middelen. Dit wordt telkens weer teruggekoppeld richting volgende cycli van

ondersteuning.

 

2 Voorlichting in Nederland

Om een zo hoog mogelijk rendement te halen uit gerichte ondersteuning is het noodzakelijk

dat de betrokken muzikanten en hun management goed op de hoogte zijn van de reeds

opgedane knowhow op dit gebied. Het is dan ook essentieel om goede voorlichting te doen.

De muziekconventies zoals Eurosonic Noorderslag en Amsterdam Dance Event, maar ook

reizende talent events als de Popronde, de Grote Prijs van Nederland, Sena Performers

PopNL Awards en de Muzikantendag zijn hiervoor geschikte platforms. Ook de

muziekvakopleidingen en opleidingen op het gebied van entertainmentmanagement kunnen

hierin een rol vervullen. Onderzoek moet uitwijzen of het wenselijk is hiervoor een online

data/vraagbank (incl. adressenbestanden, jaarkalender, criteria, procedures, regelingen, etc.)

op te zetten en te onderhouden.

 

3 Collectieve promotie

Artiesten en bands moeten hun internationale carrière primair zelf bewerkstelligen. De

afgelopen jaren hebben echter geleerd dat zij baat hebben bij een aantal collectieve

promotieactiviteiten. Inmiddels is er veel ervaring opgedaan met het ondersteunen van

artiesten via de collectieve Dutch Impact campagne. Hiermee worden extra showcasemomenten

en zgn. ‘meet & greet’ mogelijkheden gecreëerd. De zichtbaarheid van Nederland

op dergelijke beurzen versterkte bovendien de uitstraling van ons land als succesvol

producent van dance en pop.

Goede perspectieven zijn er voor meer ‘op maat’ te ontwikkelen landencampagnes voor de

belangrijkste territoria in de Europese muziekindustrie: Duitsland, Frankrijk en het Verenigd

Koninkrijk. De bedoeling is daarbij de lokale industrie en muziekmedia te benaderen via

lokale communicatiebureaus. Hierbij ligt het voor de hand de sterke internationale positie van

Amsterdam Dance Event en Eurosonic Noorderslag meer strategisch in te zetten, bestaande

Nederlandse ‘muziekambassadeurs’ in te schakelen en een nauwe samenwerking te zoeken

met de Nederlandse posten in de desbetreffende landen.

 

4 Praktische uitvoering overkoepelend beleid

Om te zorgen dat alle relevante belanghebbenden, en in het bijzonder de Nederlandse

artiesten, ‘rightsholders’ en muziekmanagers, zich ook in de toekomst voldoende gehoord en

vertegenwoordigd voelen binnen het overkoepelende beleid voor de internationale promotie,

zal de Exportwerkgroep van de Popcoalitie, in samenwerking met Buma Cultuur, de

verantwoordelijkheid nemen voor zowel de totstandkoming van de plannen als het toezicht op

de uitvoering door gespecialiseerde onderaannemers van deze plannen. Op deze wijze

kunnen de internationale doelstellingen binnen de popsector voldoende worden geborgd.